Over Trefpunt
   Nieuws
   Agenda
   Projecten
   Advies en Steun
   THEMA'S
   Meisjesbesnijdenis
   Eerwraak
   Huiselijk geweld
   Publicaties
   Homepage VON
  Vluchtelingen- Organisaties Nederland
Trefpunt is een programmalijn van Vluchtelingen Organisaties Nederland (VON)

 

Verslag 'Expertmeeting Eergerelateerd Geweld'
Den Haag, 24 februari 2006

Georganiseerd door Vluchtelingen-Organisaties Nederland
Dagvoorzitter: Mw. M. Albrecht

Aanwezig:
Dhr. A. Abbas Iraakse Democratische Jongeren Unie Nederland
Mw. M. Albrecht o.a. GGD Rotterdam
Dhr. Z. Arslan STO/ Forum
Dhr. S. Aydogan TransAct
Mw. S. Bachtare Stichting Pamir/ VAAO
Dhr. N. Barut Regiopolitie Zuid-Holland Zuid
Dhr. P. de Bruin Palestijnse Raad
Mw. H. Can-Engin IOT
Mw. G. Cheragwandi Koerdische Vrouwen Vereniging
Mw. S. Cheragwandi Koerdische Vrouwen Vereniging
Dhr. L. Dahbor Palestijnse Raad
Mw. A. Dekker VON
Mw. F. Driouichi WRR
Dhr. R. Ermers
Mw. M. Fogteloo De Groene Amsterdammer
Mw. P. Gerrits DCIM/AHP (ministerie van Justitie)
Mw. Bushra Al-Hakim Iraaks Platform Nederland
Mw. S. Ismail Afrikan Sky
Mw. M. Jama Afrikan Sky
Mw. A. Kader Koerdische Vrouwen Vereniging
Mw. I. M. Kamar Iraaks Platform Nederland
Mw. M. Khediar Iraakse Democratische Jongeren Unie Nederland
Dhr. Y. Mahmoud Palestijnse Raad
Mw. M. de Nennie ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Dhr. M. Othman Koerdische Jongeren Raad Midia
Mw. F. Özgümüs VON
Dhr. N. Rahim Stichting Pamir/ VAAO
Mw. O. Storms VON
Mw. M. Zarza Koerdische Vrouwen Vereniging


Opening (14:00)
Mw. Özgümüs houdt het welkomstwoord waarin zij de vraag stelt hoe de diversiteit van initiatieven rond de aanpak van eergerelateerd geweld kan worden gebundeld. Zij is blij met de aandacht voor eergerelateerd geweld, maar benadrukt dat de aanpak niet alleen de taak is van de overheid. Het is noodzakelijk de strijd met zijn allen aan te gaan. Eigenaren van de problematiek moeten opstaan, erkennen en gaan strijden.
Koepelorganisaties hebben de taak commitment uit te spreken ten aanzien van de aanpak van de problematiek. Daarom hebben drie organisaties, VON, IOT en SMT het initiatief genomen een handelingsprotocol op te stellen ten behoeve van het handelen bij signalering van eergerelateerd geweld. Het opstellen en implementeren van het handelingsprotocol leek in eerste instantie makkelijk, maar langzamerhand blijkt dat dit een proces behoeft. Een proces met iedereen. Via activiteiten en toegepaste onderzoeken kan worden uigezocht wat de exacte inhoud moet worden. Ook moet duidelijk worden wat de verantwoordelijkheid is van alle partijen in de aanpak van eergerelateerd geweld. Vandaag nog moet de eerste stap worden gezet in het proces naar het handelingsprotocol.
Ten slotte verwoordt mw. Özgümüs dat dit soort geweld veel lagen en veel vormen kent. Hoewel er al veel verschillende activiteiten zijn hebben we verdere toegepaste expertise nodig, ook om van elkaar te kunnen leren. Het doel van vandaag is de ervaringen van alle aanwezigen te horen. We willen weten waar knelpunten zitten, zowel inhoudelijk als organisatorisch. Daarnaast willen we ingaan op het belang om samenwerking te creëren met andere organisaties en instanties. Wat doen wij zelf, wat kunnen we van anderen verwachten? Met deze antwoorden zijn we weer een stap dichter bij realisatie van het handelingsprotocol.

Mw. Albrecht treedt op als dagvoorzitter. Zij is ondermeer projectleider eergerelateerd geweld bij de gemeente Rotterdam en heeft daar een plan van aanpak ingediend waarin zij zoveel mogelijk partijen en signalen bij elkaar wil brengen. De inzet van sleutelfiguren uit lokale gemeenschappen en professionele instanties staat hierbij centraal. Zij vraagt om input van iedereen.

Dhr. Othman vertelt hoe zijn organisatie diverse bijeenkomsten over eergerelateerd geweld heeft georganiseerd. Hiervoor waren iedere keer zo'n 30-35 mensen uitgenodigd. Hij verwoordt de weerstand die deelnemers, en voornamelijk ouderen, kunnen hebben tegen deze bijeenkomsten. Zo kwam een oudere man naar hem toe die hem het volgende vroeg "Wie ben jij om dit te organiseren?". Mw. Albrecht vraagt hoe een dergelijke opmerking kan worden beantwoord. Volgens dhr. Othman is het onze taak om dit soort onderwerpen bespreekbaar te maken en hielp het om de man juist bij de bijeenkomsten te blijven betrekken. De man bleef hierdoor naar alle bijeenkomsten komen. Sleutel tot succes?

Dhr. Abbas vertelt hoe zijn organisatie de aandacht van het publiek heeft weten te pakken. Zij hadden dhr. Hadid uitgenodigd die in een uitvoerige lezing eergerelateerd geweld benaderde vanuit de Arabische geschiedenis en taal. Deze lezing sloeg heel goed aan bij zowel de jongeren als de ouderen in het publiek. Momenteel is dhr. Abbas op zoek naar een tolk om de lezing te laten vertalen. De reacties uit het publiek gingen voornamelijk over de soorten geweld die dhr. Hadid had besproken en over de mate waarop in het dagelijks Arabische taalgebruik bepaalde woorden verwijzend naar seks normaal zijn. Dhr. Hadid vroeg het publiek dan ook hoe het komt dat mensen zich schamen om over seks te praten terwijl dit in het dagelijks taalgebruik veelvuldig voorkomt. Dhr. Abbas gaf ten slotte aan dat eergerelateerd geweld binnen een breder thema bespreekbaar moet worden gemaakt om iedereen bij de bijeenkomsten te blijven betrekken. Mensen krijgen er al snel genoeg van als ze weten dat een bijeenkomst "al weer" over eergerelateerd geweld gaat. Bovendien kunnen ook juist de jongeren bij een bredere problematiek, zoals seksualiteit, worden betrokken. Dhr. Abbas geeft aan dat jongeren de toekomst zijn en dat extra aandacht aan hen moet worden besteed.

Mw. Can-Engin beantwoordt de vraag hoe mensen kunnen worden benaderd voor bijeenkomsten over eergerelateerd geweld. Zij vertelt dat mensen woedend waren toen zij met dit punt kwamen: "Eerwraak konden wij niet bespreekbaar maken.". Uiteindelijk hebben zij het onderwerp bespreekbaar gemaakt onder 'Factoren die integratie belemmeren.' Het blijft echter een moeilijk en intensief proces. Wel is bij haar achterban nu sprake van een grote omslag en is het nu meer geaccepteerd om erover te praten. Turken konden de problematiek niet langer ontkennen of weigeren erover te praten.

Dhr. Mahmoud geeft aan dat de Palestijnse gemeenschap met andere problemen te maken heeft. Daarbij is de toegang om erover te praten is beperkt. Zijn achterban durft de problematiek niet naar buiten te brengen uit angst en schaamte. Om mensen te benaderen moet het onderwerp worden gecombineerd met onderwerpen als inburgering en asielproblemen. Ook één-op-één-gesprekken lijken een oplossing. Mw. Albrecht vraagt hoe dit wordt georganiseerd. Dhr. Mahmoud legt uit dat zij inloopspreekuren hebben georganiseerd, maar ook hele dagen in buurtcentra hebben gezeten om bereikbaar te zijn voor de mensen. Ten slotte geeft dhr. Mahmoud aan dat hij niet het gevoel krijgt serieus te worden genomen door professionele instanties. Tijdens een bijeenkomst, welke hij had georganiseerd om een netwerk met lokale professionals op te zetten en het wederzijds vertrouwen tussen zijn eigen achterban en deze instanties te vergroten, hebben alle professionals het af laten weten. Mw. Albrecht onderstreept dat het heel belangrijk is dat dergelijke zaken worden teruggekoppeld.

Mw. Kader vertelt uit eigen ervaring als maatschappelijk werkster dat weinig mensen op komen dagen bij bijeenkomsten. Ook bij één-op-één gesprekken en huisbezoeken is dit het geval. Ook zij onderstreept dat samenwerking en koppeling met professionele instanties van belang is.

Dhr. Mahmoud geeft aan dat het handig is om mensen te kennen bij professionele instanties en andere organisaties waarmee wordt samengewerkt, zoals de GGD. Hij geeft aan dat zij zelf geen professionele hulpverleners zijn en dat er eigenlijk geschoolde mensen zouden moeten zijn binnen de organisaties om samenwerking te bevorderen. Deskundige vluchtelingen die worden ingezet als tussenpersoon.

Dhr. Aydogan vertelt dat eergerelateerd geweld overal voorkomt in diverse vormen. Mensen die voorlichting geven moeten goed weten waarover ze spreken. Voorlichtingen moeten daarnaast ook in de eigen taal kunnen worden gehouden. Bovendien heeft voorlichting een verwijsfunctie waarmee mensen uit de voeten kunnen. Duidelijk moet worden welke informatie moet worden overgebracht. Normen en waarden zijn daarbij belangrijk: eergerelateerd geweld is meer dan eerwraak en mag nergens worden uitgevoerd, dat moet duidelijk worden voor de mensen.

Mw. Gerrits geeft aan dat de overheid een begin heeft gemaakt met de ontwikkeling van een aanpak voor eergerelateerd geweld. De politie Haaglanden houdt zaken bij, zodat ook meer bekend wordt over de aard en omvang. Tegelijkertijd biedt Haaglanden ook ondersteuning aan andere korpsen die te maken hebben met zaken van eergerelateerd geweld. Uit gesprekken met personen uit de minderheden, is gebleken dat er veel steun is voor de wijze waarop Haaglanden omgaat met zaken. Maar een actieve rol van minderhedenorganisaties is nodig, en mag niet worden onderschat. Denk aan het leggen van contacten, en het creëren van netwerken. Maar ook communicatie is van groot belang. Soms gaat het om inzichten die onder minderheden vanzelfsprekend zijn. Ook dit kan van belang zijn voor het protocol. Mw. Gerrits noemt als voorbeeld de 18 jaarsgrens. Voor de hulpverlening en politie is een 18 jarige dochter meerderjarig. Voor haar vader is zij vaak pas meerderjarig als ze getrouwd is. Misverstanden zitten in een klein hoekje. Wat vinden aanwezigen wijsheid voor een hulpverlener of agent om te doen als een 20-jarige is weggelopen. Hoe ga je om met de vader, en voorkom je escalatie? Mw Gerrits raadt aan dat minderhedenorganisaties uitzoeken welke kennis en welke boodschap echt kunnen bijdragen aan het creëren van een andere mentaliteit. Zij heeft een praktische vraag met betrekking tot de wetgeving: geweld dat gepleegd wordt door familieleden kan strafverzwarend zijn. Is dat een boodschap dat effect kan hebben? Daarnaast vraagt zij zich af welke oplossingen kunnen worden gezocht voor aangifteangst en hoe kan worden omgegaan met de vertrouwenscontext: veel mensen willen niet dat bij aangifte iets wordt opgeschreven, maar willen wel dat er iets mee wordt gedaan.

Dhr. Barut geeft aan dat hier een grote taak is weggelegd voor de politie. Hij geeft een korte uitleg over de pilot van politie Zuid-Holland Zuid en politie Haaglanden. Hij hoopt dat in de toekomst de pilot ook op andere regio's kan worden toegepast. Hij benoemt daarbij dat het belangrijk is dat signalen op een centraal punt kunnen binnenkomen, zodat op tijd kan worden ingegrepen, maar zodat ook een goede inventarisatie kan worden gemaakt van de problematiek.

Mw. Özgümüs zegt dat voorlichting geen strijdmiddel is tegen eergerelateerd geweld. Mensen weten dat als je een moord pleegt je in de cel belandt. Deze straf wordt geaccepteerd. De vraag die moet worden gesteld is welke straf effectief is? Daarnaast hebben mensen praktische informatie nodig, zoals: wat te doen als iemand, direct of indirect, met eergerelateerd geweld te maken krijg? Wie moeten we bellen? Hoe gaan we om met roddel? En hoe stellen we onze trekkers en hun gezag veilig binnen de gemeenschappen? Momenteel trekken een aantal voorzitters projecten over eergerelateerd geweld. Als zij als trekker bepaalde dingen doen binnen de gemeenschap, kan het gebeuren dat zij niet langer worden geaccepteerd als gezaghebbend persoon. Dit soort informatie is dus belangrijk.

Mw. Zarza vertelt hoe haar organisatie een helpdesk voor huiselijk en eergerelateerd geweld tot stand heeft gebracht. Hier krijgen zij veel verschillende reacties. Ook zij kregen veel met weerstand te maken en gaven hun bijeenkomsten een andere naam om toch hun doelgroep te bereiken: 'Cultuur en religie kunnen geen belemmering vormen voor integratie.'. Tijdens deze bijeenkomsten werd duidelijk dat er veel verschillende factoren een rol spelen, zoals taal, werkloosheid en problemen binnenshuis. Voornamelijk mannen bleken dergelijke aanverwante problemen te ondervinden en aan te dragen als oorzaak.

Mw. Albrecht geeft een korte samenvatting: het is belangrijk om het gesprek aan te gaan, om ook seksualiteit en de historische context aan te halen. Het benaderen van personen blijft lastig, maar mogelijk is dit via een breder thema op te pakken, met onderwerpen als opvoeding, werkloosheid en andere aanverwante problemen. Individuele gesprekken kunnen voor meer openheid zorgen. Daarnaast is deskundigheidsbevordering van vluchtelingen en professionals van belang. Informatie over ondermeer de wetgeving moet in eigen taal worden gegeven. De vraag blijft: hoe krijg je de informatie op de juiste plek? En hoe zorg je ervoor dat het indruk maakt? Dat een werkelijk veranderingsproces opgang komt en mensen een actieve houding krijgen. Helpt straf daarbij en zo ja, welke straf? Hoe pak je daarbij het vroegtijdig signaleren op. Wat doen we met roddel?

Mw. G. Cheragwandi geeft aan dat de rol van gezaghebbende personen belangrijk is bij informatievoorziening. In het middenoosten reageren mensen goed op iemand die duidelijk verstand van zaken heeft, zoals bekende personen of artsen. Positie, kennis en leeftijd zijn hierbij van belang..

Mw. Ismail sluit aan bij mw. G. Cheragwandi: je moet een titel hebben, dat is macht, aanzien. Daarnaast vertelt zij uit ervaring dat het makkelijker praten is met kleinere groepen. Zij ziet daarbij voordeel in aparte groepen voor vrouwen en jongeren. Bij Somalische gemeenschappen wordt eergerelateerd geweld (nog) niet herkend; zij zien het als een probleem van andere gemeenschappen. Toch bleek uit een grote bijeenkomst over eergerelateerd geweld dat roddel een groot probleem vormt binnen de Somalische gemeenschap. Mw. Albrecht vraagt hierop hoe mensen kunnen worden aangesproken op roddelgedrag. In eerste instantie reageren de aanwezigen dat iedereen bij zichzelf moet beginnen. Mw. Ismail benadrukt dat religie, normen en waarden een grote rol spelen. Mw. S. Cheragwandi sluit zich hierbij aan. Dhr. Abbas koppelt terug naar de lezing van dhr. Hadid waarin de islam werd aangehaald. Moorden mag niet.

Mw. Can-Engin geeft aan dat roddel niet alleen van onderuit kan worden aangepakt. Gezaghebbende personen moeten actief worden betrokken in de aanpak. Hun rol hierin moet worden vergroot. Mensen moeten zich onmisbaar voelen.

Mw. Gerrits geeft aan dat het onmogelijk is om bij het ontwikkelen van een aanpak ook beleid te gaan voeren op alle mogelijke oorzakelijke medefactoren, zoals werkloosheid. Dat betekent niet dat dergelijke factoren, die een rol kunnen spelen, niet worden onderkend, Maar er dient ook afbakening te zijn. Bovendien: een werkloze status van een man mag nooit een reden zijn voor begrip of goedkeuring van geweld. Op dit moment richt de aanpak zich op het vergroten van de veiligheid voor slachtoffers, bestrijding van geweld, en het versterken van preventie, o.a. met behulp van minderhedenorganisaties. Ondanks dat er velerlei factoren een rol kan spelen bij een eergerelateerd geweldszaak, zijn er ook concrete zaken die direct een relatie hebben met eeropvattingen en man-vrouwverhoudingen. Sommigen uit de achterban zijn van mening dat eergerelateerd geweld geen geweld is. Dat is toch problematisch. Daarnaast zijn er zaken als roddel, seksualiteit, groepsloyaliteit die belangrijker wordt gevonden dan het welzijn van de betrokkene. Daarover moet worden gesproken.

Mw. Ismail zegt dat zij zichzelf tijdens bijeenkomsten als voorbeeld stelt en eigen ervaringen vertelt. Bij dit onderwerp zijn individuele gesprekken vaak heel belangrijk, maar hoe stel je jezelf als voorbeeld bij één-op-één-gesprekken?

Dhr. Mahmoud benadrukt dat het belangrijk is om de negatieve energie van roddelen om te zetten in positieve energie. Roddel moet worden omgezet in positieve sociale controle. Hij zegt dat eerst via andere wegen moet worden geprobeerd om oplossingen te vinden voordat mensen naar de politie stappen.

Dhr. Ermers haalt een voorbeeld uit eigen ervaring aan, om aan te geven dat het huidige systeem rond de aanpak van eergerelateerd geweld nog zeer wankel is.

Dhr. Barut verwoordt de angst van mensen om aangifte te doen. Hij benadrukt dat als iemand aangifte doet, dit niet van de daken wordt geschreeuwd, maar in vertrouwen en zorgvuldig wordt behandeld.

Dhr. Aydogan zegt dat het gebrek aan financiële hulpmiddelen een knelpunt is voor de samenwerking tussen minderhedenorganisaties en professionals.

Pauze

Vervolg

Mw. Albrecht kondigt het volgende deel van de expertmeeting aan waarin gekeken moet worden naar het ondervangen van vragen en knelpunten via het handelingsprotocol. Wat willen we hierin zetten en wat kunnen we doen?

Dhr. Arslan geeft aan dat het belangrijk is wetenschappers en gezaghebbenden bij de aanpak te betrekken. Ook vrouwen moeten plek krijgen in gezaghebbende structuren. Hij ziet veel in toegepast onderzoek op de verschillende groepen aangezien personen dan pas inzien en bewust worden dat dit onderwerp hén aangaat. Wat hem betreft mag ook meer de publiciteit worden gezocht om aan de samenleving duidelijk te maken wat de verschillende organisaties doen op dit gebied. Daarnaast ziet dhr. Arslan belang bij structurering van groepen en netwerkvorming tussen groepen. Ten slotte geeft hij aan dat binnen het onderwijs meer aandacht zou moeten worden besteed aan de Universele Rechten van de Vrouw.

Dhr. Rahim geeft aan dat illegaliteit een grote barrière is voor groepen vrouwen. Daarnaast benadrukt hij dat het zelfs voor gezaghebbenden, zoals voorzitters, moeilijk is om contact te houden met (potentiële) slachtoffers van eergerelateerd geweld. Het gezag van deze personen kan in het geding komen als zij zich steeds 'bemoeien' met gezinnen en zeker als het vrouwelijke slachtoffers betreft. Hij stipt de vraag aan hoe het gezag en de veiligheid van deze mensen kan worden gewaarborgd.

Mw. Gerrits geeft aan dat er een informatiefolder beschikbaar is over huiselijk geweld & verblijfsvergunningen. Mw. Albrecht vraagt zich af in hoeverre de organisaties bereid zouden zijn om een dergelijke folder onder de achterban te verspreiden. Duidelijk wordt dat hier wel interesse naar is, maar dat moet worden gekeken in hoeverre de informatie alsmede de schrijftaal aansluit op de groepen.

Gezamenlijk wordt een aantal punten samengesteld voor de aanzet van de implementatie van het handelingsprotocol:
- Centralisatie van netwerken: gestructureerde aandacht voor betrokkenheid van en samenwerking tussen organisaties en instanties, met daarbij goede monitoring van (integrale) bijeenkomsten;
- Lokale uitwisseling van en zichtbaarheid geven aan ervaringen (zowel succes- als faalfactoren) en instrumenten voor een groter bereik van mensen (bijvoorbeeld via media, Internet, de wandelgangen, feesten);
- Netwerken op lokaal niveau, bijvoorbeeld middels een sociale kaart van actieve organisaties op Internet, via websites van koepelorganisaties;
- Lokale samenwerking: maken van afspraken op lokaal niveau over taken, rollen en verantwoordelijkheden.

Duidelijk wordt dat er sprake is van twee niveaus bij preventie en veiligheid. Het eerste niveau betreft het bespreekbaar maken, attitudeverandering, bewustwording en beeldvorming. Het tweede niveau betreft de verdieping: methodieken, werkwijzen en verantwoordelijkheid: wie is waar voor verantwoordelijk? En waar houdt je verantwoordelijkheid op en wanneer draag je je verantwoordelijkheid over? Mw. Zarza stelt dat je als vrijwilliger niet de verantwoordelijkheid mag krijgen over het leven van een ander. Veel trekkers en voorzitters binnen gemeenschappen en organisaties zijn vrijwilliger en geen professionele hulpverlener. Een eisenpakket zou moeten worden opgesteld over de verantwoordelijkheden en taken van de ketenpartners. Verder moet de vraag van betrokkenen (wat wil hij/zij, wat kan) worden nagegaan en moet worden gekeken wat de belemmeringen zijn voor verdere hulp.

Dhr. Arslan zegt dat de overheid het handelingsprotocol zou moeten monitoren, zodat de overheid ook algemene instellingen kan aanspreken op hun samenwerking en inzet.

Mw. Gerrits geeft in overweging dat organisaties in het protocol ook de eigen verantwoordelijkheden, en grenzen daaraan, goed beschrijven.

Mw. Albrecht stelt samenvattend dat lokale samenwerkingsverbanden een grote rol kunnen spelen bij het bemiddelen en oplossen van eergerelateerd geweldkwesties. Samenspel tussen overheden en minderhedenorganisaties binnen een vertrouwenscontext moet daarbij worden bevorderd. Dhr. Aydogan zegt dat het de taak van interventieteams is om te bemiddelen. Mw. Albrecht en Mw. Gerrits stellen echter dat deze landelijke teams te weinig binding hebben met de lokale, vaak zeer gesloten, groepen. Als het al moeilijk is voor een gezaghebbend persoon binnen de gemeenschap om te bemiddelen, hoe kan dan iemand van buiten af het probleem oplossen?

Ten slotte vraagt Mw. Ismail zich af in hoeverre de nazorg van slachtoffers kan worden opgevangen door de organisaties. Volgens Mw. Gerrits ligt de verantwoordelijkheid voor de nazorg van slachtoffers grotendeels bij de gemeente via sociale hulpverlening.

Afsluiting (17:30)
Mw. Albrecht en mw. Özgümüs vatten de expertmeeting kort samen en komen tot de conclusie dat de besproken punten moeten worden uitgewerkt en stof tot nadenken geven voor de opzet en implementatie van het handelingsprotocol. Mw. Özgümüs zegt toe dat er nog meer bijeenkomsten zullen volgen. Mw. Özgümüs dankt de aanwezigen en sluit de expertmeeting.
Deze bijeeenkomst is mede gefinancierd door het Europees Vluchtelingenfonds (EVF)